Plantage Poelwijk (Suriname)

Achternaam: Sociëteit van eigendom
Plaats: Amsterdam
Land: Nederland
Plaats plantage: Poelwijk
Locatie plantage: Suriname
Borderelnummer: PL173
Opmerkingen: [wiki]Plantage[/wiki] Poelwijk en plantage Nieuw Altona behoorden tot een Sociëteit van eigendom; invuller borderel P. May, administrateur van plantages. May tekende ook voor ontvangst van de tegemoetkomingsgelden. Commissarissen tot deze Sociëteit: jonkheer Diederik Gregorius van Teijlingen van Kamerik (zonder beroep; Rotterdam), Willem Francois Ewoud Spiering (plaatsvervangend rechter bij de [wiki]arrondissementsrechtbank[/wiki] te Thiel; Thiel) en Lambert John Arend van Eck (lid der arrondissementsrechtbank Arnhem; Arnhem). Gemachtigden in Suriname: Jacques Isaac Spiering (grondeigenaar), Pieter May (administrateur), Paul René Planteau (administrateur), Tjark Jansen Eijken Sluijters (administrateur) en Guillaume Jacques Abraham Bosch Reitz (administrateur)
Slaven: 255 personen

Rechthebbenden: Salomon Adelaar, Samuel Adelaar, Saartje Adelaar, Rudolf Adelaar, Rebecca Adelaar, Meijer Adelaar, Mariane Adelaar, Helena Adelaar, Ester Adelaar & Elia Adelaar
Plaats: plantage Poelwijk
Locatie: plantage [wiki]Suriname[/wiki]
Borderelnummer: PL173
Opmerkingen: Rechthebbende tot Sociëteit waartoe plantage Poelwijk behoorde als erfgenaam van Vrouwtje Stibbe weduwe Elias Meijer Adelaar

Genealogie

Artikel van Philip Dikland

suikerplantage Poelwijk aan de Pericakreek
situatie 2003 (volksnaam “Bekri” = Bekker)
pericarivier, rechteroever in het afvaren
volgorde: Capoerica (L&R), Sappato, Oud-Belair, Poelwijk, Altona, Schoonhoven, Corisana

Op 1 februari 2003 bezochten Philip Dikland en Anthony Hagemeyer de plantage. Deze is thans grotendeels bos, er zijn 2 indiaanse kampen die incidenteel worden gebruikt. Gids Christiaan Hek (72 jaar) heeft vroeger op de plantage gewoond. Hij kon moeiteloos een aantal zaken terugvinden, maar erg veel is er niet overgebleven.

Er is nog:
Een gewelfd bakstenen waterreservoir, 2 x 8,5 mtr oppervlak, hoogte 2,3 mtr. Het grote plantagehuis moet daar in de buurt zijn geweest, maar daarvan zijn geen restanten.
Meer naar achter, in wat vroeger de achtertuin van de plantage moet zijn geweest, is er een bijzonder mooi graf:

JOHANNA VAN DER MEULEN
HUYSVROUW VAN NICOLAES BRAET
GEBOREN DEN 14DE SEPTEMBER 1702
EN OVERLEDEN DEN 31 JANUARY 1743

Iets stroomafwaarts, bij de landingsplaats, is nog een gietijzeren suikerrol van een oud type, en een kapotte kappa. In de modder werd een natuurstenen goot gevonden, mogelijk een deel van de lika-goot. ca. 100 mtr stroomafwaarts is de sluiskreek met een klein restant van de fabriek. Er ligt een tandrad met een diameter van 2,5 mtr in de kreek, en vlak naast de kreek een deel van het frame van een horizontale suikerpers. het bakstenen molenkanaal is verwijderd. Volgens gids Christiaan zijn de bakstenen in zijn jeugd gesloopt, tegen 10 ct per stuk. Dat lijkt aan de hoge kant. Stroomafwaarts is er een kreekje “tek watra” met daarin een kleine sluis. Dit kon niet worden bezocht, het tij was ongunstig. Nog verder stroomafwaarts op de grens Altona – Schoonhoven is er nog de onderzijde van een bakstenen loossluis, met een overwelfde doorlaat, netjes gemetseld, waarschijnlijk 19e eeuw. Nog verder stroomafwaarts op de grens Schoonhoven – Corisane nog een loossluisje, eveneens zonder de sluispilaren.

chronologie:

1683 – G: van der Poel (kaart Lieftinck, 1769)

Gerrit van der Poel uit [wiki]Amsterdam[/wiki] verkreeg in 1683 het “allodiaal eigendom” van 2000 akkers bos aan weerszijden van de Perica-kreek. In deze 2000 akkers was inbegrepen een plantage van 500 akkers die van der Poel had overgekocht van een zekere Davids. Wanneer deze Davids zijn plantage is begonnen, is niet bekend, maar in ieder geval na 1671, want op de kaart van Mogge uit dat jaar is de Perica nog onbewoond.
De grond lag aan beide zijden van de kreek. Van der Poel’s stroomopwaartse buurman (het tegenwoordige Oud Belair) heette Huysman. De grens tussen beide plantages was de Huijsmans kreek, tegenwoordig de Possoekreek genoemd.
Van der Poel legde een suikerplantage aan, en noemde deze naar zichzelf: Poelwijk.
Het zal met deze plantage wel zijn verlopen zoals met de meeste plantages uit die tijd: de beginjaren waren bijzonder moeilijk, de plantage stond bloot aan indiaanse aanvallen. Pas omstreeks 1690 volgde een periode van politieke stabiliteit, en de plantage heeft in die tijd waarschijnlijk veel geld opgebracht.
In 1692 was Van der Poel ouderling van de kerkeraad van Pirica. Zijn “huisvrouw” Josina Lavaer was toen reeds gestorven. In datzelfde jaar 1692 trad Gerrit opnieuw in het huwelijk:

“…..1692 den 14 decembris ondertrout Gerrit vande Poele wedr: van Amsterdam, met Aeltje de Wit wede: van Jan Schuijt van FredrickStat, getuijgen Bastiaen Tijssen en Jacob Weijers, den 2 januarij ’93 getrout….”

Het huwelijk is voor zover bekend kinderloos gebleven. Wel zijn er twee meisjes Van der Poel bekend, genaamd Wijnanda en Josina Margaretha, beide woonachtig in Perica. Mogelijk zijn dit dochters van Gerrit uit zijn eerste huwelijk.

Gouverneur Van Aerssen’s oordeel over Van der Poel was niet gunstig. Hij werd beschreven als “klein in alles”, en in 1684 afgewezen als lid van de raad van justitie. (FOD, Aerssen van Sommelsdijck, p. 69)

Van der Poel’s buurman aan de overzijde van de rivier was Balthazar van der Meulen, eigenaar van de plantage Meulwijk. De buurlieden onderhielden goede betrekkingen met elkaar en traden op als getuigen bij huwelijk en geboorte, zoals in 1691en 1707:
“….1691 maart 25 gedoopt Johannes Gerardus daar vader over staat Balthasar van der Meulen, de moeder Johanna Robberts. De getuijgen Gerardus van den Poel en Sophia van den Poel. Do: L: Klay …”
“… 1707 maart 6 na dat ik voor d’ eerste maal aan Paramaribo aan land was gekomen s’morgens voor d’ eerste maal in de kerk den h: dienst hadde gedaan, is door mij gedoopt het soontje van Joannes de Camps de Jonge en Josina Margrita van der Poel. Genaamt Joannes. De getuigen sijn Balthazar van der Meulen in plaats van Joannes de Camps d’ oude, te Middelburg in Zeeland ende Joanna Robbertz huijsvrouw van heere B: van der Meulen, hoewel ter doop gehouden van juff Houtkooper na dat het geboren was den 17 januari s’morgens tussen drie en vier uuren. Boëthius Moda ?.”

Het is niet bekend wanneer Gerard van der Poel is overleden. De nog bestaande overlijdensregisters van de hervormde kerk vangen aan in 1722, en daarin wordt hij niet vermeld. Hij was blijkbaar al voordien gestorven. Er bestaan plantage-inventarissen uit 1711 en 1721. Aangezien dergelijke inventarissen gewoonlijk werden opgemaakt bij de dood van de eigenaar, is Van der Poel waarschijnlijk in één der genoemde jaren overleden. Bestudering van de inventarissen zal uitkomst brengen.

1734 – 1737 – Jac: Schuit (kaart Lavaux, 1737)

Waarschijnlijk was Jacobus Schuit een zoon uit het eerste huwelijk van Aeltje de Witt, de tweede echtgenote van Gerrit van der Poel. Waarom de dochters Van der Poel niet worden genoemd als mede-eigenaressen blijft onduidelijk.
In het generael kerckeboek staat vermeld, dat Jacobus Schuijt stierf op 27 maart 1739. Wat hij zoal in zijn leven heeft gedaan, is niet bekend.

In 1734 werden de stroomafwaarts gelegen 200 akkers van de plantage afgescheiden en verkocht aan Balthasar van der Meulen, eigenaar van plantage Meulwijk aan de overzijde van de kreek. Dit stukje werd “Schoonhoven” genoemd, en ingedeeld als een koffiegrond. In 1747 werd nogmaals 147 akkers aan Schoonhoven verkocht.

ca. 1740 – Jacobus Braet (kaart Lieftinck, 1769)

Het is niet bekend hoe Jacobus Braet de plantage in eigendom heeft gekregen.
Jacobus Braet was gehuwd met Johanna de Jong. Hoewel in de meetbrief van Lieftinck genoemd als eigenaar van de plantage, is het niet zeker of Jacobus in Suriname woonde. De kerkeboeken van de gereformeerde kerk vermelden hem niet. In 1747, tijdens de verkoop van een stukje van de grond aan Schoonhoven, was Jacobus reeds overleden. Zijn weduwe Johanna de Jong woonde toen in Den Briel.
Een ander lid van de familie, Nicolaas Braet, woonde wel in Suriname. Hij was gehuwd met Johanna van der Meulen, weduwe van Gerbrand van Sandick. Hun 3-jarig dochtertje Johanna ligt in de hervormde kerk van Paramaribo begraven. Moeder Johanna van der Meulen (1702-1743) ligt op Poelwijk begraven. Waarschijnlijk beheerde Nicolaas de plantage in naam van Jacobus Braet. In mei 1743, na de dood van Johanna, reisde Nicolaes met het schip “de Vrijheid” naar Amsterdam. In de pasagierslijst staat hij vermeld als “ontvanger”.
Het bekendste familielid is Pieter Braet, secretaris van Suriname. De familierelatie tot Jacobus is niet bekend. Mogelijk was hij een broer, of een zoon. Hij arriveerde in 1725 “met attestatie” vanuit Vlaardingen. In 1727 trad hij in het huwelijk met Catharina de Lies :

“…… 1727 december 7 sijn door mij onderschreven in de kerk van Paramaribo met malkanderen getrouwt, Pieter Braet jongm: geboren te Vlaardingen, Secretaris deser provintie, en Catharina de Lies jonge dochter geboren in de neder divisie van Commewijne – A: A: Engel pastor…….”

In 1729 werd het dochtertje van Pieter en Catharina geboren. Zij werd Johanna Elisabeth genoemd. Jacobus en zijn vrouw waren uitgekozen als (afwezige) doopgetuigen.
In 1731 vertrok het jonge gezin met verlof naar Nederland, om Catharina en Johanna aan Pieter’s ouders voor te stellen. Zij reisden met het schip “Amsterdam”, vergezeld van de negerin Diana, en de indiaanse jongen Frans. In 1733 kwamen zij retour, inclusief Frans, maar zonder Diana.
Het jaar daarop reeds is Pieter gestorven, waarschijnlijk niet eens dertig jaar oud. Het generael kerckeboek volstaat met een droge notitie:

“……. 1734-10-08 – de Hr: Pieter Braat …..”

De familie Braat was ongeveer tot 1763 eigenaar van Poelwijk. Bekend is Adrianus Braet, en wederom een Pieter Braat. Deze laatste was door koop en vererving in 1760 eigenaar van 82% van de plantage (ARA inv. no. 208 folio 309). Diens vrouw Maria werd begraven op Poelwijk, maar haar graf is thans (2003) niet meer te traceren:

“……. 1760-december 27 Debet Pieter Braet – A kerkegeregtigh: voor ’t begraven van zijn huijsvrouw Maria Braet op de plant: Poelwijk f 20,- …….”

Het jaar daarop hertrouwde deze Pieter Braet met mejuffrouw Becker:

“…. 1761-mei 14 Debet Pieter Braet – A kerkegeregtigheid voort trouwen in huijs met mej: Becker f 50,- ….”

Het huwelijk heeft niet lang mogen duren, Pieter overleed twee jaar later. Hij werd begraven door Francois Ewout Bekker, waarschijnlijk een broer of een neef van zijn vrouw. Omdat het huwelijk kinderloos was gebleven, erfde Francois uiteindelijk de plantage. Op de kaart van Lavaux uit 1770 staat hij als eigenaar genoemd.

1763 of later – Francois Ewoud Becker

Mr. Francois Ewoud Becker (1735 – 1795) arriveerde in 1757 in Suriname als protegé van zijn oom, kapitein Jacob Hendrik Carel Spiering. Hij heeft in Suriname een succesvolle ambtelijke carriere opgebouwd. In 1775 werd hij boekhouder-generaal. In 1793 staat hij genoemd als Raad van Politie, Heemraad van de Boven-Cottica en Perica, commissaris van het etablissement Voorzorg aan de Saramacca, en commissaris der Publieke Venduen.

Ook privé ging het hem voor de wind. In 1772 was hij reeds eigenaar van twee luxe woonhuizen aan de “oranje tuyn” (het huidige kerkplein). In 1793 was hij administrateur van 21 plantages, waaronder 3 van hemzelf. Dit waren de suikerplantage Poelwijk aan de Perica-rivier, de koffiegrond Nieuw-Altona (244 6/10 akkers), die in 1767 was afgesplitst van Poelwijk, en voorts een kostgrond ten Noorden van Paramaribo, de latere koffieplantage “de Morgenstond”.

In 1772 werd Poelwijk overvallen door de guerillatroepen van Baron. Het was een zware aanval, die uitgebreid staat vermeld in het journaal van gouverneur Nepveu:

” …..Maandag den 29 Junij 1772
’s Morgens vroeg bequaam Zijn WelEdele Gestrenge uijt Cottica een brief meldende dat de Wegloopers de Plantage Poelwijk in Perica van de Heer Secretaris Bekker hadden geattacqueerd Een blanke doodgeschooten en eenige der slaaven alsmeede 25 geweeren en 2 vaten kruyt meede genoomen.

Dingsdag den 30 Junij 1772
De Blanke Officier van plantage Poelwijk die de wegloopers hadden meede genoomen en door haar opperhoofd Baron op weg uijt ’t Bosch zijnde, terug is gezonden aan Paramaribo gearriveerd zijnde heeft Zijn WelEdele Gestrenge weeder de Heeren Raaden van Policie geconvoceerd en gem: Blanke Officier gehoort …..”

Waarom werd de “blankofficier” Muller vrijgelaten? Wolbers (p. 338) geeft een samenvatting van Muller’s verhoor.

“….Ofschoon Baron volgens de wet der wedervergelding handelde, was hij echter niet wreed, getuige het volgende:
Bij het aflopen der plantage Poelwijk door de Marrons, werd de blankofficier Muller tot hem gebragt. Toen hij vernam dat Muller nog slechts kort geleden uit Holland in de kolonie was gekomen, zond hij hem onverlet naar Paramaribo terug, tot hem zeggende: gij zijt nog te kort in de kolonie geweest om ons slaven te mishandelen …..”

1821 – erven F: E: Becker, 1294 akkers, suiker (almanak 1821)

Francois Ewout Becker was in 1795 als vermogend man gestorven. Hij was ongehuwd en liet zijn vermogen na aan de neven en nichten Becker en Spiering, met het beding dat de plantages niet mochten worden verkocht.

De directeur van Poelwijk was in 1821 H: Ortmeijer, de administratie werd gevoerd door de kantoren E. G. Veldwyk en J. P. H. Kleine.

In 1832 vermeldt Teenstra, dat op de plantage een waterwerk was. Er waren toen 139 slaven.

1843 – Erven Mr.F.E Becker & erven Spiering (almanak 1843)

De plantage was 1294 akkers groot. De directeur was F: J: Verschuur, de administratie werd gevoerd door J: C: de Freudenberg, F: G: Pichot l’Espinasse, en F: L: Pichot.

1854 – erven E: F: Becker (C: van Sijpesteijn, beschrijving van Suriname)

De administrateuren waren F: L: Pichot en J: J: Spiering. Directeur was C: H: Bilgen. Het riet werd met een stoommolen geperst. Er waren 153 plantageslaven, maar daarboven nog 144 privé-slaven. Van wie, dat staat niet vermeld. Van Sijpesteijn’s boek werd in 1854 uitgegeven, maar de plantagegegevens dateren waarschijnlijk van enkele jaren daarvoor.

Er zijn 3 manumissies bekend: de twee gezusters Johanna Frankhof (1855) en Henriette Elwijk (1863), en verder Kaatje Heuveltop (1859).

1863 – emancipatie

De slavenmacht bestond uit 253 mensen ; de “tegemoetkoming” voor de eigenaren bedroeg f 75.900,- plus f 1200,-. Deze eigenaren waren de erven F. E. Becker en Spiering ; het was een grote groep van 51 personen, waarvan er 2 in Suriname woonden, en de rest in Nederland.

De plantage heeft nimmer Hindostaanse of Javaanse contractarbeiders aangeworven, en is vermoedelijk vlak na de afschaffing van de slavernij in 1863 buiten productie gesteld.

1863 – 2003 – nader uit te zoeken.

2003 – verlaten en door bos overwoekerd.

Advertentie / Krantenartikelen

Surinaamsche courant (1856)

Surinaamsche courant (1858)

Surinaamsche courant (1868)

Koloniaal Nieuwsblad (1868)

de West Indiër (1868)

de West Indiër (1874)

Koloniaal nieuws en advertentieblad (1874)

Surinaamsche courant (1875)

Suriname (1877)

Surinaamsche courant (1882)

Suriname (1914)

Plaats hier je reactie

%d bloggers liken dit: